“Als ik je vind”, clownen in het verpleeghuis, door Mirry van Doorn, februari 2016

 clown met hond

Het is de allereerste keer dat ik op een woongroep ga spelen met dementerende ouderen. Samen met mijn clownsmaatje van vorig jaar, Jeanette. Zij werkt daar en kent de bewoners. Maar ze vertelt me er nauwelijks over. Het is beter om ze zelf te leren kennen en hen open tegemoet te treden. We gaan de afdeling op, zonder afspraken of voorbereidingen. Spelen met wat er is. Maar om te voorkomen dat we echt niets te spelen weten, kunnen we terugvallen op een tas met wat attributen zoals een speeldoosje en een mini stoffer en blik. Maar wij hebben nog een troef, de beste, zo blijkt: mijn dochter Linde van 5 ½ die – omdat de stroom is uitgevallen – uitgerekend vandaag een schoolvrije dag heeft. Al eerder speelde zij met mij en met de toen nog 1e jaars clowns in juni van dit jaar op straat. Ze vindt het fantastisch dat ze mee mag. Haar neus valt steeds af en zit niet lekker, dus die heeft ze op het laatste moment maar thuis gelaten. Maar schaap, haar knuffel is wel van de partij.

 

Clowntje kom maar binnen met je knecht

Zodra ik mijn clownskleren aan heb, ben ik clown. Ik voel me anders, begin anders te lopen, te kijken, open mij meer voor de wereld om me heen. Er zijn voorzichtige ontmoetingen op de afdeling, het eerste contact, het aftasten, er bij gaan zitten aan tafel, eens iets uitproberen. Voorzichtige eerste stappen die soms een glimlach of iets anders teweegbrengen en soms eindigen in een doodlopende weg.

Ik leen een rollator. Daar droom ik al tijden van om daar een act mee te verzinnen. Er komt iets stouts in mij boven als ik ‘m pak. Als een oude vermoeide clown loop ik de volgende woonkamer binnen waar 3 wakkere vrouwen aan tafel zitten en verwachtingsvol naar mij kijken.

“Hè, hè, poeh, nou, wat ben ik moe zeg van al dat lopen. Mag ik hier even komen zitten?” vraag ik. Ik vertel dat ik helemaal van de andere kant van de gang kom. Ze knikken en ik ga zitten en strek overdreven even lekker de benen. “En wie is dat kleine meisje?“ vraagt een van de vrouwen. “Dat is mijn kleindochter.” (Want ja, ik speel een oude clown.) “En wat heeft ze daar voor lieve knuffel?” Linde neemt het gesprek van mij over en laat haar knuffel zien. Het ijs is gebroken. De dames hebben niet zo’n lieve knuffel (meer) en ik vertel dat ik soms de knuffel van Linde stiekem een nachtje leen omdat hij zo lekker zacht is. Verbazingwekkend, neemt mevrouw Bernard het op voor Linde. Dat mag niet. Het is haar knuffel! Ik ben stout! Om een lange dialoog kort te maken, mag mevrouw Bernard mij als wijze van straf mij op de billen slaan. Iets waar ze schijnbaar veel plezier in heeft en de rest ook.

Mevrouw Bernard speelt als hardste mee, terwijl de andere dames met een glimlach het tafereel volgen. Zij mag van mij met haar vuist op tafel slaan, terwijl ze roept: “Ik wil (…)”. Alleen weet ze niet zo goed wat ze ook al weer wil. Ze lacht om alle clownsvoorstellen die ik doe, terwijl ik met de vuist op tafel sla en zij het nadoet.

Met de andere dames aan tafel wordt er nog uit volle borst gezongen “clowntje kom maar binnen met je knecht”, terwijl Linde en ik onze entree opnieuw door de deur maken. Jeanette en ik dansen verliefd samen op de muziek van het speeldoosje en dan is het tijd om weer te gaan. Er wordt om kusjes gebedeld als Jeanette en ik weg willen gaan en natuurlijk krijgen de dames die. En de clowns krijgen er een terug. Wat een groot cadeau!

 

Een wonderlijke ontmoeting

“Hé, een meisje! Wat is ze lief.” “Kom eens hier.” Een uitnodigend gebaar met zijn arm. Een meneer met een prachtige sonore stem. Terwijl hij mijn dochter Linde af en toe een aai over haar wang geeft of even teder door haar haren strijkt, gaat hij verder:

“lief gehad maan was witten –

Hoe die leste en groot zeggen zou

Want is gekomen maar niet wachten

Zacht in snakken, vermikten vol – gevolgen”

En na deze regels die klinken als een melodisch voorgedragen vers, volgen nog vele poëtische zinnen. Ze klinken als een coherent verhaal, maar ik kan er geen touw aan vastknopen door de bizarre onverwachte zinswendingen en vreemde woorden die ik niet ken, maar in zijn taal volkomen begrijpelijk lijken.

Met grote verwonderde ogen kijkt Linde de meneer aan. Ze laat toe hoe hij haar af en toe aanraakt, naar haar lacht. Ze lijkt bespeeld door zijn voordracht. Zo ook ik, in mijn clown zijn, luister stil en ontroerd naar zijn zangerige woorden. Ik hang aan zijn lippen, naast zijn stoel, op mijn hurken.

naamloos (11)Hij sluit af met een tedere kus op Linde ’s wang. Alsof hij zojuist haar schoonheid beschreef.

Hij lacht naar mij en bekijkt mij eens goed, tikt met zijn vinger op mijn rode neus en zegt: “Je lijkt op mijn vader. Ja ja. Mooi”. En dan weer een prachtige onbegrijpelijke zin. Zijn ogen lachen mee. Aan de glinstering begrijp ik dat hij mij een compliment maakt. En ik zeg: “Dank u wel.”

“U weet toch wel dat ik een meisje ben?” zeg ik plagerig. En draai voor hem in het rond om mijn clownsjurk te showen. “Jaja, weet ik”, lacht hij. “Je bent precies mijn vader. Ook zo verbant met joggen ingeklukt wants botten neus. Ja.” En weer tikt hij met zijn vingers een paar keer op mijn rode neus en knikt me daarbij vriendelijk toe.

Dan valt zijn oog op de poppenbezem waarmee ik eerder de vloer heb staan aanvegen en die Linde nu in haar hand heeft. Hij zegt een onbegrijpelijk woord maar maakt een gebaar naar de bezem. Linde legt de bezem in zijn handen.

“Kijk”, zegt hij, terwijl hij de bezem voor hem horizontaal tussen zijn beide handen neemt. Zijn handen vertellen een prachtig verhaal, geven aanwijzingen op stok – en bezemgedeelte, glijden er soepel over heen, tonen de gladheid, testen het materiaal door er op te kloppen. Met zijn melodisch verslag, ondersteunt hij zijn handelingen. Volkomen eigen logica. Ik laat de klanken bij mij naar binnenstromen en ben oprecht verwonderd. Ik zie de meneer zichtbaar genieten van onze aandacht. Dan geeft hij de bezem terug aan mijn dochter en maakt een lichte teleurgestelde indruk, terwijl hij zucht: “Het is niet meer.”

“Het is niet meer?” vraag ik hem? “Zijn we iets kwijt?” vraag ik hem gespeeld geschrokken. “Ja, kwijt”, zegt hij opgewonden en opeens staat hij op en pakt mijn hand beet. Hij sloft met mij rond op zoek naar iets. “Wauw, spannend, we gaan iets zoeken!” Tegen iedereen die we tegenkomen in de gang vertellen we dat we aan het zoeken zijn naar iets wat we gaan vinden. Eerst de grote clown, dan de kleine en dan volgt de meneer met een bevestigend “Ja, Ja” en een onbegrijpelijke zin met daarin opeens de bekende woorden ‘vinden’ en ‘zoeken’. Als we lachen omdat ik steeds herhaal dat ik zo benieuwd ben naar wat we zullen vinden, wordt hij steeds enthousiaster.

Na de gang op en neer en een klein intermezzo met een andere meneer , – die ook al met zo’n mooie resonantie in zijn stem een filosofisch commentaar lijkt te geven op ons spel en ons bedankt voor ons korte bezoek,- zet hij zich vermoeid maar voldaan in een luie stoel op de gang. Mijn hand houdt hij nog steeds vast, dus ik kan niets anders doen dan bij hem op de stoelleuning kruipen.

Even rusten. “Ja”, zegt hij, – hij vond het reuzeleuk. Nee, we hebben nog steeds niets gevonden. Maar dat geeft niet. We hebben elkaar even gevonden. Wat mooi dat hij mij even meenam in zijn wereld; hij mij toeliet. Wat een wonderlijke ontmoeting, wat een plezier.

“Gaan we de volgende keer verder zoeken?” “Ja, Ja hoor.” Een handkus, dit keer van mij voor deze mooie meneer. Een zwaai, een grote glimlach en ik stap weer terug in de ‘andere werkelijkheid’. Niet alleen hij, maar ook ik, zijn even ‘het gelukkige kind’ geweest.

Een gedachte over ““Als ik je vind”, clownen in het verpleeghuis, door Mirry van Doorn, februari 2016

  1. Ontroerend om te lezen hoe dit echte contact ontstond, zo kwetsbaar en puur. Doen me denken aan mijn moeder in haar laatste maanden, was er toen maar zo’n clown geweest die haar uit haar lethargie had weten te halen… Dank je wel voor het delen!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *